Christopher Culver
Bijna 10 jaar lang, van 1995 tot en met de eerste dagen van 2005 sprak ik Esperanto, de ‘internationale taal’ die in 1887 gemaakt is door L.L. Zamenhof, een oogarts uit Warschau, en die vandaag nog door misschien wel tienduizenden gesproken wordt. Ik was zeer intens bij deze taal en haar beweging betrokken. Als voorbeelden om dit te illustreren: jarenlang heb ik alleen reizen gemaakt die met deze taal te maken hebben. In die tijd heb ik een internationale vriendenkring onder sprekers van het Esperanto gekregen en ik heb zelfs een jaar als vrijwilliger gewerkt op het hoofdkantoor van het Internationale Esperantogenootschap (UEA). In januari 2005 heb ik echter besloten het Esperanto compleet achter me te laten. Ik ergerde me steeds meer aan de onderdrukking van de diversiteit aan talen. Ironisch, aangezien deze beweging claimt te streven naar waardering van (alle) talen in de wereld.
De wortels van het Esperanto liggen in L.L. Zamenhofs opvattingen over taal. Als jongeman in keizerlijk Warschau stoorde Zamenhof zich aan de scheiding van de inwoners van deze stad in vier oncomfortabele gemeenschappen (Jiddisch, Duits, Russisch en Pools), gebaseerd op hun moedertalen. Hij hoopte dat het Esperanto een gemeenschappelijk communicatiemiddel zou worden tussen de taalgemeenschappen. Het Esperanto moest boven de nationale verdeeldheid staan.
De grootste internationale Esperanto-organisatie en de
belangrijkste kracht achter de beweging is het Internationale
Esperanto-Genootschap (UEA) met een
hoofdkantoor in Rotterdam. De laatste decennia heeft de UEA
zich in verschillende internationale organen opgeworpen als
verdediger van taalrechten en taaldiversiteit. Er bestaan
officiële relaties met de Verenigde Naties en UNESCO. Er zijn
vaak vertegenwoordigers van de UEA aanwezig bij vergaderingen
van deze organisaties, zoals in maart 2005 toen voorzitter
Renato Corsetti en activist Andy Künzli de jaarlijkse
vergadering bijwoonden van de Mensenrechtencommissie van de
Het Manifest van Praag, gelanceerd op het Internationale Esperantocongres in Praag in 1996 claimt sterk dat de aanhangers van Esperanto de verscheidenheid aan talen waarderen. Het vierde punt van het manifest gaat over ‘meertaligheid’, en het zesde over ‘verscheidenheid aan talen’. In de tien jaar na de lancering is dit manifest vaak gebruikt als referentie naar principes die alle sprekers van het Esperanto onderschrijven.
Het is belangrijk de nationale taal te verdedigen aangezien taal cultuur is, en onscheidbaar van cultuur. Taal is de ultieme manier om de verschillen tussen mensen uit te drukken. De inspanningen om uitstervende talen te beschermen en zaken aan het licht te brengen met betrekking tot rechten op het gebied van taal zouden geloofd moeten worden. Men zou dan denken dat de Esperantobeweging -met als woordvoerder de UEA- hiermee een waardevolle dienst bewijst.
Hoe uitdrukkelijk de UEA echter haar waardering voor verscheidenheid aan talen ook uitdrukt, de werkelijkheid is dat men vanaf het begin zeer terughoudend is geweest deze diversiteit te beschermen. Het is belangrijk op te merken dat Zamenhof zelf het idee van diversiteit van talen niet leek te accepteren. In plaats daarvan wilde hij bij internationale verhandelingen één taal opleggen, om de vrede te bewaren. In het prille begin van het Esperanto werden nationale talen niet gezien als uitdrukkingen van diversiteit die bescherming verdienden, maar eerder als hindernissen die overwonnen moesten worden. Er is weinig veranderd.
Om terug te komen op het vierde punt van het Manifest van Praag, meertaligheid:
Elk lid heeft de taak op zich genomen ten minste één vreemde taal te leren tot op spreekniveau… Wij beweren, dat de sprekers van alle talen, grote en kleine, zouden moeten beschikken over de reële kans zich een tweede taal eigen te maken tot op spreekniveau.
Die ene vreemde taal waar het Manifest naar verwijst is natuurlijk het Esperanto. In plaats van te benadrukken dat het nodig is nationale talen te leren die vaak waardevolle maar bedreigde culturen vertegenwoordigen, beschouwt de Esperantobeweging haar eigen kunstmatige product als een goede keus om vloeiend een tweede taal te leren. Bovendien lijkt dit punt het schamele minimum van één vreemde taal te accepteren zonder te pleiten voor het voortdurend leren van talen wat nodig is om de verscheidenheid aan talen te begrijpen.
In het zesde punt van het Manifest wordt er sterk gepleit voor verscheidenheid aan talen.
Voor de Esperantobeweging (…) is de verscheidenheid in talen een voortdurende en onmisbare bron van rijkdom. Bijgevolg heeft elke taal, zoals elke soort van leven, al waarde in zichzelf en verdient bescherming en ondersteuning.
Dit is echter in tegenstelling tot wat er bij het vijfde punt staat, over taalrechten.
In de Esperantogemeenschap treffen sprekers van grote en kleine, officiële en niet-officiële talen elkaar op neutraal terrein, dankzij de wederzijdse wil compromissen te sluiten.
De aanhangers van Esperanto bekommeren zich zo over gelijkheid in communicatie dat Esperanto de norm is geworden en dat er geen plaats is om de nationale talen te delen. De verscheidenheid aan talen kan geen realiteit zijn zolang het gebruik van een taal beperkt is tot een kleine gemeenschap zonder wederzijdse uitwisseling van culturen. In het streven twee sprekers volledig ‘gelijkwaardig’ te laten zijn (wat op zich al onmogelijk is), vernietigt de Esperantobeweging de diversiteit en meertaligheid die zij zegt te ondersteunen. Ik heb ervaren dat onder de Esperantisten het bereiken van gelijkwaardigheid door middel van Esperanto veel meer gewaardeerd wordt dan het gebruik van nationale talen.
Voor een organisatie die claimt taalrechten te verdedigen is de UEA verdacht stil wat betreft recente voorbeelden van onderdrukking van talen. Bijvoorbeeld, op het moment van schrijven worden gebruikers van de Mari-taal in de republiek Mari El in Rusland onderdrukt. Ze worden in elkaar geslagen en verliezen hun baan. Toch veroordeelt de UEA dit niet. Evenmin gebeurt dit met andere voorbeelden van ontzegging van het recht om je eigen taal te gebruiken niet. De enige ‘onrechtvaardigheid’ waartegen de UEA lijkt te protesteren, afgaand op uitlatingen van voorzitter Renato Corsetti, is het onderwijs van Engels als vreemde taal.
Om echt goed te begrijpen wat het gebruik en de verspreiding van Esperanto betekent voor de verscheidenheid aan talen moeten we echter de sprekers zelf onderzoeken. In plaats van het beschermen van de moedertalen in haar midden, verdringt het Esperanto deze meestal. Wanneer twee sprekers van Esperanto elkaar ontmoeten, verwachten ze van elkaar dat er Esperanto gesproken wordt, losstaand van de andere talen die men spreekt. Loyaliteit naar het Esperanto betekent het opzij zetten van interesse in andere culturen. Het is overduidelijk dat dit idee onverenigbaar is met het beschermen van de verscheidenheid aan talen.
Esperanto is zelfs zo sterk verplicht dat van twee Esperanto-sprekers met dezelfde moedertaal verwacht wordt dat ze Esperanto spreken. Het spreken in die moedertaal wordt dan ‘krokodilado’ genoemd, een groot taboe in de Esperantobeweging. Dit levert in het algemeen een uitbrander op van andere leden van deze beweging.
Men zou kunnen beweren dat mensen congressen bijwonen om
Esperanto te kunnen spreken en dat het spreken van andere
talen daarom ongepast is. Het eerste antwoord is dat, gegeven
het feit dat ze elkaar verstaan, het nooit ongepast is om één
van de sprekers’ moedertalen te spreken. Iets anders houdt in
dat culturele uitwisseling volledig uitgebannen wordt. Een
tweede antwoord is dat men van Esperantosprekers niet kan
verwachten dat ze alleen bij congressen de nadruk leggen op
Esperanto veel van hen dit als een ideale omgeving zien. Ik
heb vaak iemand horen zeggen: Was de wereld maar een
Esperantocongres!
De
normen die gelden tijdens congressen, inclusief de censuur op
het gebruik van elke andere taal dan het Esperanto zou dan
gelden als model voor alle internationale communicatie,
alsmede voor communicatie tussen twee personen met dezelfde
moedertaal in een internationale context.
Tenslotte is de claim van gelijkwaardige communicatie belachelijk, aangezien de beweging een aantal zeer vloeiende sprekers heeft. Hun taalgebruik is een grote uitdaging voor nieuwelingen. Ik heb soms zo’n groot verschil gezien in de beheersing van het Esperanto of in het dialect dat men sprak, dat men in een nationale taal makkelijker had kunnen spreken. Niet alleen wordt de verscheidenheid aan talen onderdrukt omwille van gelijkheid, ook het doel van gelijkheid wordt uiteindelijk verwaarloosd.
Esperantocongressen worden vaak gepresenteerd als een ideale kans om een vreemd land te bezoeken en de cultuur te leren kennen. De deelnemers worden echter volledig afgeschermd van de taal van het land waar een congres georganiseerd wordt en hebben op deze manier dus geen echt contact met het gastland.
Een toerist in het buitenland die alleen in internationale restaurants eet, zonder om te kijken naar de lokale keuken, zal (en dit is begrijpelijk) de lokale cultuur minder goed begrijpen. Toch gelooft de Esperantobeweging dat toeristen de lokale cultuur kunnen leren kennen ook al spreken ze slechts een buitenlandse, kunstmatige taal.
In 2001 voerde de jongerenorganisatie van de UEA een korte campagne om de organisatie van talenfestivals op lokaal en regionaal niveau aan te moedigen. Dit zijn evenementen waarbij mensen in een korte tijd met veel talen in aanraking kunnen komen en hun eigen taal aan het publiek kunnen presenteren, een goed idee. Op het Internationale Jeugd Congres in Straatsburg in 2001 maakte een talenfestival deel uit van het programma en alle deelnemers werden aangemoedigd om hieraan deel te nemen. Dit experiment is echter niet herhaald en de Esperantogemeenschap heeft in de jaren daarna weinig interesse getoond om de leden de verscheidenheid aan talen te laten waarderen.
Totdat Esperantocongressen zich volledig gaan richten op de cultuur van het gastland en de culturen van de deelnemers, waarbij men deze moet leren kennen en waarbij het Esperanto slechts als laatste uitweg wordt gezien, zullen deze congressen de verscheidenheid aan talen blijven onderdrukken.
De activiteiten van de Esperantobeweging gaan verder dan slechts lobbyen om publieke fondsen te gebruiken. TEJO, de jeugdafdeling van UEA, ontvangt jaarlijks duizenden euro's van de Raad van de Europese Unie voor projecten die de talendiversiteit onderdrukken. TEJO gebruikt dit geld voor seminars over onbenullige zaken als `project management' of `youth co-operation'. Met als uitzondering een seminar in 2001 over het organiseren van talenfestivals, denk ik niet dat het geld echt besteed is om de diversiteit aan talen te bevorderen. Een veelgehoord kritiekpunt op deze seminars is dan ook dat ze weinig effect lijken te hebben en slechts een nieuwe generatie activisten kweken die meer nutteloze seminars zullen organiseren.
Esperanto is geen onschuldige hobby voor enthousiastelingen in hun vrije tijd, maar nauw verbonden met publieke instellingen. De consequenties van haar idealen zijn echter ongewenst voor de mensen die bediend worden door deze instellingen.
Esperantisten zeggen vaak dat ze tegen een wereldwijde hegemonie van het Engels zijn, maar het is duidelijk dat Esperanto haar eigen hegemonie zo strict oplegt dat men zou kunnen zeggen dat Engels te prefereren valt. Ik heb meer interesse in het leren en oefenen van vreemde talen gezien in Engelssprekende kringen dan onder Esperantisten.
Tijdens vrij recente reizen naar Spanje heb ik de kans gehad om deelnemers te observeren van een pan-Europese seminar over jeugd en globalisatie. Alhoewel Engels de voertaal was, werd in gesprekken tussen twee mensen vaak overgeschakeld naar de moedertaal van een van hen. Een jonge Fransman groette iemand in het Engels maar ging over naar Italiaans toen hij erachter kwam dat z'n gesprekspartner uit Italie kwam. Dit zou niet goedgekeurd worden onder Esperantisten. Engels bewijst hier een neutrale keus te zijn. Jongeren spreken elkaar in het buitenland vaak automatisch in het Engels aan, maar men gaat vaak over op een andere taal. De Esperanto-beweging houdt echter om ideologische redenen vast aan Esperanto, ook als er andere mogelijkheden zijn.
Esperanto heeft net als Engels de neiging haar woordenschat op te leggen aan de moedertalen van haar sprekers. In zijn boek Esperanto sen mitoj (`Esperanto zonder mythen', Antwerpen: Flandra Esperanto-Ligo, 1999) geeft auteur Ziko Marcus Sikosek een denkbeeldig Duitstalig gesprek in een werkgroep met belachelijk veel termen afkomstig uit het Esperanto, een fenomeen dat bijna alle Esperantisten wel aan den lijven zullen hebben meegemaakt. Men ziet onmiddellijk de schadelijke effecten die Esperanto kan geven.
Da hat ein estrarano von TEJO geschrieben, daß er einen kontribuo für den internacia vespero oder das distra programo hat. Gibt’s dafür ’n rabato? Sein aliĝilo und die antaŭpago haben wir. Dann beträge seine kotizo als memzorganto und B-landano noch 50 Mark.
(Sikosek 1999: 166)
Er zijn manieren om het lot van nationale talen op een betekenisvolle manieren te verbeteren en op hetzelfde moment dezelfde voordelen te genieten die de Esperantobeweging claimt te geven, zonder betrokken te worden bij de Esperantobeweging.
In plaats van het dubbelzinnige werk van de WEA te steunen, zou men aandacht uit moeten laten gaan naar andere organisaties die als doel hebben talen te beschermen, zoals Onze Taal of the Jeugdvereniging van Fins-Oegrische mensen in Finland, Estland, Hongarije en Rusland.
Esperantocongressen zijn leuke internationale evenementen maar men kan dezelfde sfeer vinden op een talencursus in de zomer. In plaats van je vakanties door te brengen onder Esperantisten die hun kunstmatige taal spreken en nationale culturen negeren, zou je kunnen overwegen je in te schrijven voor een cursus in een bedreigde taal. Op deze manier kan je werkelijk een bijdrage leveren aan het behoud van een waardevolle en bedreigde en tegelijkertijd andere plaatsen bezoeken.
Als je in de Europese Unie woont, zou je kunnen overwegen de vertegenwoordigers van je land te schrijven om te protesteren tegen de financiering van de activiteiten van TEJO die niet toewerken naar het doel van verscheidenheid in Europa. De doelen van Esperantisten moeten worden weerlegd zodat regeringen zinnige maatregelen kunnen nemen.
Esperanto is duidelijk schadelijk voor de verscheidenheid aan talen. Ik hoop dat het publiek de dringende behoefte aan bescherming van nationale talen beter zal begrijpen en zal zien dat het Esperanto niet alleen inefficient, maar zelfs bedreigend is voor deze `regenboog' aan talen.